Eigenschap: verminderde conditie

Bacterievuur (Erwinia amylovora)

Bacterievuur (Erwinia amylovora)

Bladeren verkleuren van bruin naar zwart. Bij uitbreiding van aantasting ontstaan smetplekken in de kroon met zwart pleksgewijze aantastingen.

Beukenbladluis (Phyllaphis fagi)

Beukenbladluis (Phyllaphis fagi)

Luizen zitten aan de onderzijde van de bladeren. De beukenbladluizen zijn eerst geel/groen en vleugelloos. In een jong stadium vormen zich nog geen wasdraden.

Eikenmeeldauw (Microsphaera alphitoides)

Eikenmeeldauw (Microsphaera alphitoides)

Aantasting bevind zich vooral op de uiteinden van de twijgen op de jonge bladeren welke geheel aan boven- en onderzijde met wit poeder zijn bedekt. Eikenmeeldauw is te verwarren met echte meeldauw en valse meeldauw.

Elzenhaantje (Agelastica alni)

Elzenhaantje (Agelastica alni)

Zwarte larven tot 1,5 cm lang veroorzaken typisch bruin blad waarbij de oppervlakte huid is afgevreten.
Zwarte kevers met een blauwe glans vreten willekeurig gaten in de bladeren.

Gewone dennenscheerder (Tomicus piniperda)

Gewone dennenscheerder (Tomicus piniperda)

Broedbomen hebben onder de bast een kenmerkend patroon van een moedergang met een uitwaaierend patroon van larvengangen. Door uitholling van de scheuten vormen zich bruine scheuten aan de scheuteinden van de boom. Hierdoor worden de dennen als het ware geschoren. Indien een nieuwgevormde scheut meermaals wordt aangetast en hergroei ontstaat kan een knik in de stam ontstaan wat schadelijk kan zijn indien de boom waarde kent als zaaghout.

Groene eikenbladroller (Tortrix viridana)

Groene eikenbladroller (Tortrix viridana)

Heldergroene kleine vlinder met een vleugelspanwijdte tot 20 mm. Houdt zijn vleugels in een driehoek. Rups tot 15 mm lange groene rups met een zwarte kop. Bij beroeren zeer levendig en hangen vaak aan een draad.

Meniezwammetje (Nectria cinnabarina)

Meniezwammetje (Nectria cinnabarina)

Oranje vruchtlichamen vorming op bast van twijgen en stam. Ingezonken weefsel en afgestorven bast rondom snoeiwonden. Jonge twijgen verwelken tijdens zomer.

Paardenkastanjemineermot (Cameraria ohridella)

Paardenkastanjemineermot (Cameraria ohridella)

Mineergangen in blad waardoor een geel/bruine verkleuring ontstaat. Niet te verwarren met bladvlekkenziekte welke altijd met een geel/bruine rand wordt omgezoomd. Als een mijn wordt opengemaakt is de larve of pop zichtbaar.

Perenprachtkever (Agrilus sinuatus)

Perenprachtkever (Agrilus sinuatus)

Kever tot 9 mm lang, langwerpig en naar achteren toegespitst lichaampje, bovenzijde glanzend koperkleurig.
De larve is wit met een beitelvormige kop. In het verleden vaak perenringlarve genoemd.

Reuzenzwam (Meripilus giganteus)

Reuzenzwam (Meripilus giganteus)

Grote waaiervormige platte vruchtlichamen aan de stamvoet van de boom en soms ook op enkele meters afstand. De bovenzijde is geel tot grauwbruin met brede donkerbruine gevlekte ringen en een gele rand tijdens de jeugd.