Eigenschap: risico spectrum niveau 2

Beukenbladluis (Phyllaphis fagi)

Beukenbladluis (Phyllaphis fagi)

Luizen zitten aan de onderzijde van de bladeren. De beukenbladluizen zijn eerst geel/groen en vleugelloos. In een jong stadium vormen zich nog geen wasdraden.

Eikenmeeldauw (Microsphaera alphitoides)

Eikenmeeldauw (Microsphaera alphitoides)

Aantasting bevind zich vooral op de uiteinden van de twijgen op de jonge bladeren welke geheel aan boven- en onderzijde met wit poeder zijn bedekt. Eikenmeeldauw is te verwarren met echte meeldauw en valse meeldauw.

Elzenhaantje (Agelastica alni)

Elzenhaantje (Agelastica alni)

Zwarte larven tot 1,5 cm lang veroorzaken typisch bruin blad waarbij de oppervlakte huid is afgevreten.
Zwarte kevers met een blauwe glans vreten willekeurig gaten in de bladeren.

Groene eikenbladroller (Tortrix viridana)

Groene eikenbladroller (Tortrix viridana)

Heldergroene kleine vlinder met een vleugelspanwijdte tot 20 mm. Houdt zijn vleugels in een driehoek. Rups tot 15 mm lange groene rups met een zwarte kop. Bij beroeren zeer levendig en hangen vaak aan een draad.

Paardenkastanjemineermot (Cameraria ohridella)

Paardenkastanjemineermot (Cameraria ohridella)

Mineergangen in blad waardoor een geel/bruine verkleuring ontstaat. Niet te verwarren met bladvlekkenziekte welke altijd met een geel/bruine rand wordt omgezoomd. Als een mijn wordt opengemaakt is de larve of pop zichtbaar.