Ziekten

Aardappelgal wesp (Biorhiza pallida)

Aardappelgal wesp (Biorhiza pallida)

De aardappelgal wesp is een vliesvleugelig bruin insect van 3,5 tot 6 mm. Vrouwtjes hebben geen vleugels als zij omstreeks maart uit het eitje komen.

Bacterievuur (Erwinia amylovora)

Bacterievuur (Erwinia amylovora)

Bladeren verkleuren van bruin naar zwart. Bij uitbreiding van aantasting ontstaan smetplekken in de kroon met zwart pleksgewijze aantastingen.

Beukenbladluis (Phyllaphis fagi)

Beukenbladluis (Phyllaphis fagi)

Luizen zitten aan de onderzijde van de bladeren. De beukenbladluizen zijn eerst geel/groen en vleugelloos. In een jong stadium vormen zich nog geen wasdraden.

Eikenmeeldauw (Microsphaera alphitoides)

Eikenmeeldauw (Microsphaera alphitoides)

Aantasting bevind zich vooral op de uiteinden van de twijgen op de jonge bladeren welke geheel aan boven- en onderzijde met wit poeder zijn bedekt. Eikenmeeldauw is te verwarren met echte meeldauw en valse meeldauw.

Eikenprachtkever (Agrilus biguttatus)

Eikenprachtkever (Agrilus biguttatus)

De kever is langwerpig (8 tot 13 mm lang), hij heeft groenblauwe metaalkleurige dekschilden met twee stippen. De uitvlieggaten in de bast hebben een kenmerkende D-vorm. De larve is tot circa 3 cm lang. Hij is wit, plat en sterk verdeeld. De eieren worden in schorsspleten afgezet in groepjes van 5-6 stuks De eitjes hebben een doorsnede van 1,5 mm en zijn boonvormig.

Eikenprocessierups (Thaumetopoea processionea)

Eikenprocessierups (Thaumetopoea processionea)

In processie verplaatsende rups (3,5 cm lang), grijze flanken en een zwarte streep over de rug. Grijze lichaamsharen. Kenmerkende nesten variërend van tennisbal formaat tot voetbal formaat of zelfs complete “rupsendekens”. Nesten bevinden zich vaak tegen de stam of net onder de takaanzet. Rupsen skeletteren de bladeren.

Eikenspintkever (Scolytus intricatus)

Eikenspintkever (Scolytus intricatus)

De kever is klein, donkerbruin tot zwart en zo’n 2,5 tot 4 mm lang. De larve is wit, pootloos, heeft een bruine kop en ± 3 mm lang. Verwarring is mogelijk met het gangstelsel van de eikenprachtkevers (Agrillus biguttatus), maar deze gangstellen hebben geen horizontaal lopende moedergang. De kevers die gelegd hebben sluiten de O-vormige opening met hun lijf af.

Elzenhaantje (Agelastica alni)

Elzenhaantje (Agelastica alni)

Zwarte larven tot 1,5 cm lang veroorzaken typisch bruin blad waarbij de oppervlakte huid is afgevreten.
Zwarte kevers met een blauwe glans vreten willekeurig gaten in de bladeren.

Essentaksterfte (Chalara fraxinea)

Essentaksterfte (Chalara fraxinea)

Vanaf zomerperiode verwelkte bruine bladeren, en afgestorven takken aan buitenzijde kroon. Vroegtijdige herfstverkleuring, elipsvormige bastnecrose rondom afgestorven takken.

Galmijten (Eriophyes-soorten)

Galmijten (Eriophyes-soorten)

Galmijten zijn zeer kleine insecten. De herkenning van de specifieke galmijt is vaak aan de hand van de waardplant vast te stellen.

Gestippelde houtvlinder (Zeuzera pyrina)

Gestippelde houtvlinder (Zeuzera pyrina)

Soms word de larve van de gestippelde houtvlinder (Zeuzera pyrina) ook wel gele houtrups genoemd.

Grote geelachtige rups tot wel 50 mm lang. Rups is onbehaard met zwarte stippen op het lijf. De rups is te vinden in boorgangen in de twijgen en takken van een boom. De boorgangen zijn niet alleen in de lengte van de takken te vinden maar kennen ook individuele boorgaten naar buiten toe.

De boorgangen zijn soms tot wel 1,5 cm in diameter gevuld met bruin boormeel. De gestippelde houtvlinder (Zeuzera pyrina) is een grote witte motvlinder van 30 tot 40 mm met zwarte stippen.

Gewone dennenscheerder (Tomicus piniperda)

Gewone dennenscheerder (Tomicus piniperda)

Broedbomen hebben onder de bast een kenmerkend patroon van een moedergang met een uitwaaierend patroon van larvengangen. Door uitholling van de scheuten vormen zich bruine scheuten aan de scheuteinden van de boom. Hierdoor worden de dennen als het ware geschoren. Indien een nieuwgevormde scheut meermaals wordt aangetast en hergroei ontstaat kan een knik in de stam ontstaan wat schadelijk kan zijn indien de boom waarde kent als zaaghout.

Groene eikenbladroller (Tortrix viridana)

Groene eikenbladroller (Tortrix viridana)

Heldergroene kleine vlinder met een vleugelspanwijdte tot 20 mm. Houdt zijn vleugels in een driehoek. Rups tot 15 mm lange groene rups met een zwarte kop. Bij beroeren zeer levendig en hangen vaak aan een draad.

Horzelvlinder (Sesia apiformis)

Horzelvlinder (Sesia apiformis)

Horzelvlinder lijkt sprekend op hoornaarwesp. De larve is geelachtig wit en is tot 4 cm lang. De vraatgangen hebben een diameter van 8 mm en bevinden zich tot maximaal 30 cm hoogte in de stamvoet. De gangen zijn gevuld met boormeel.

Iepenspintkever (Scolytus scolytus)

Iepenspintkever (Scolytus scolytus)

De kever is 4 tot 6 mm lang, zwartbruin en hij is voornamelijk te herkennen aan het kenmerkende scheef oplopende achterlijf. De larven zijn wit.

Kleine bonte essenbastkever (Hylesinus fraxini)

Kleine bonte essenbastkever (Hylesinus fraxini)

Kever zijn tot 3 mm lang, zwart met gele vlekken. Kenmerkende rozetvormige vraatpatronen met horizontale moedergangen. De larvegangen zijn volgepropt met boorpoeder. Larve is tot 5 mm lang, pootloos en wit.

Lindebladwesp (Caliroa annulipes)

Lindebladwesp (Caliroa annulipes)

De wesp heeft een zwart met geel achterlijf en is 7 tot 8 mm lang. De larve heeft een breed uitlopende voorzijde is ongeveer 10 mm en lijkt sprekend op een naaktslakje en heeft geen pootjes.

Massaria (Splanchnonema platani)

Massaria (Splanchnonema platani)

Vroegtijdige herfstverkleuring en bladval in zomerperiode van individuele onderstandige takken. Bastverkleuring en zwarte sporenvorming op aangetaste takken welke niet vanaf de grond zijn waar te nemen.

Meniezwammetje (Nectria cinnabarina)

Meniezwammetje (Nectria cinnabarina)

Oranje vruchtlichamen vorming op bast van twijgen en stam. Ingezonken weefsel en afgestorven bast rondom snoeiwonden. Jonge twijgen verwelken tijdens zomer.

Paardenkastanjemineermot (Cameraria ohridella)

Paardenkastanjemineermot (Cameraria ohridella)

Mineergangen in blad waardoor een geel/bruine verkleuring ontstaat. Niet te verwarren met bladvlekkenziekte welke altijd met een geel/bruine rand wordt omgezoomd. Als een mijn wordt opengemaakt is de larve of pop zichtbaar.

Perenprachtkever (Agrilus sinuatus)

Perenprachtkever (Agrilus sinuatus)

Kever tot 9 mm lang, langwerpig en naar achteren toegespitst lichaampje, bovenzijde glanzend koperkleurig.
De larve is wit met een beitelvormige kop. In het verleden vaak perenringlarve genoemd.

Plakker (Lymantria dispar)

Plakker (Lymantria dispar)

De vrouwtjes vlinder is vuilwit, behaard en tot 60 mm lang. Het mannetje is bruingrijs, behaard en tot 40 mm lang.

Reuzenzwam (Meripilus giganteus)

Reuzenzwam (Meripilus giganteus)

Grote waaiervormige platte vruchtlichamen aan de stamvoet van de boom en soms ook op enkele meters afstand. De bovenzijde is geel tot grauwbruin met brede donkerbruine gevlekte ringen en een gele rand tijdens de jeugd.

Verwelkingsziekte (Verticilium dahliae)

Verwelkingsziekte (Verticilium dahliae)

Delen van de kroon verwelken, vooral bij grote vochtbehoefte tijdens warme droge periodes. Afgestorven twijgen aan buitenzijde of stroken in de kroon. Bij jonge bomen vaak complete afsterving.

Watermerkziekte (Brenneria salicis)

Watermerkziekte (Brenneria salicis)

Afsterven van de kroon van buiten naar binnen. Witte afgestorven takken in top. Bruine bladverkleuring en bladverwelking bij zomerse temperaturen.

Xylella (Xylella fastidiosa)

Xylella (Xylella fastidiosa)

De Xylella-bacterie kan herkentworden aan Pleksgewijze bruinverkleuring in de kroon, bladeren met bruine randen of bruine/gele vlekken. Effect: Verdroogde bladeren in kroon. Afsterven takken en kroondelen. Bij zware aantasting afsterven van gehele bomen.